Daniël naar een vreemd land

Een groot leger verovert Jeruzalem, een stad in Israël.
Sommige mensen uit de stad worden meegenomen.
Ook Daniël en drie van zijn vrienden moeten mee naar Babel.
Ze komen aan bij het paleis van koning Nebukadnezar.

Daniël en zijn vrienden zijn knap om te zien.
Ze zijn ook slim en weten veel.
De koning wil graag dat ze voor hem gaan werken.
Ze krijgen eerst drie jaar les, zodat ze de taal kunnen leren.

Een lekkere maaltijd is voor Daniël en zijn vrienden klaargemaakt.
Er zijn allemaal verschillende soorten vlees en er is wijn.
Het vlees is eerst geofferd aan goden die niet echt bestaan.
Daniël weet dat ze dit niet mogen eten van God.

Daniël neemt zich voor om te luisteren naar God.
Hij gaat naar zijn baas en vertelt dat ze deze maaltijd niet mogen eten.
De baas is bang dat de koning dit zal ontdekken.
Hij denkt dat Daniël en zijn vrienden er minder mooi uit zullen zien, als ze iets anders eten.

Daniël vertrouwt op God.
Hij vraagt aan een kamerheer of ze tien dagen brood en groenten mogen eten.
De kamerheer wil dit wel proberen.
Tien dagen eten Daniël en zijn vrienden brood en groenten en ze drinken water.

Na tien dagen zien Daniël en zijn vrienden er beter uit dan de anderen.
God zorgt voor Daniël en zijn vrienden.

Zingen

Puzzel

Voor deze puzzel heb je de Bijbel nodig. Zoek Daniël 1 maar op.
Je begint in vers 1 te lezen. Daarin vind je het woord, dat bij nummer 1 ingevuld moet worden. Zo lees je het hele hoofdstuk door.
Als je klaar bent, heb je negen woorden gevonden. Neem van elk woord een letter. Welke letter dat is, staat tussen haakjes. (2) betekent: de tweede letter. Heb je de negen letters naast elkaar opgeschreven? Dan lees je een bekende naam. Wie heeft deze naam gekregen?

  1. Kwam … (3), de koning van Babel, te Jeruzalem
  2. Te weten uit het koninklijk zaad en uit de … (6)
  3. Uit de kinderen van Juda: … (6), Hanánja, Mísaël en Azárja
  4. Daarom verzocht hij van den … (6) der kamerlingen
  5. Die ulieder … (1) en ulieder drank verordineerd heeft
  6. In deze zaak en hij beproefde hen tien … (2)
  7. Toen geschiedde het, dat … (4) de stukken hunner spijze
  8. Zo bracht hen de overste der kamerlingen in voor het … (1)
  9. In alle zaken van … (3) wijsheid, die de koning hun afvroeg