Bijbel
PSALM 24.

De Koning der ere en Zijn volk

1 EEN psalm van David.
aDe aarde is des HEEREN, mitsgaders haar 1volheid, de wereld en die daarin wonen. 2 Want Hij heeft ze gegrond 2op de 3zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. 3 b 4Wie zal klimmen op den 5berg des HEEREN? En wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? 4 Die 6rein van handen en 7zuiver van hart is, die zijn ziel 8niet opheft tot ijdelheid, en die niet 9bedrieglijk zweert. 5 Die zal den zegen 10ontvangen van den HEERE, en 11gerechtigheid van den God 12zijns heils. 6 Dat is het geslacht dergenen die naar Hem vragen, die 13Uw aangezicht zoeken, dat is 14Jakob. 15Sela. 7 Heft uw 16hoofden op, gij 17poorten, en verheft u, gij 18eeuwige deuren, opdat de 19Koning der ere inga. 8 Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig; de HEERE, geweldig in den strijd. 9 Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga. 10 Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der 20heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.

Op rijm om te zingen

Al d' aard' en alles wat zij geeft,
Met al wat zich beweegt en leeft,
Zijn 't wettig eigendom des HEEREN.
Hij heeft z', in haren ochtendstond,
Op ongemeten zeên gegrond,
Doorsneden met rivier en meren.
1
Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor 't oog van Sions God, betreden?
De man die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.
2
Die zal, door 's HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils, ontvangen.
Dit 's Jakob, dit is 't vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht,
En zoekt Zijn aanschijn met verlangen.
3
Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog;
Opdat de Koning in moog' rijden.
Wie is die Vorst, zo groot in eer?
't Is God, d' almachtig' Opperheer;
't Is God, geweldig in het strijden.
4
Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog;
Opdat g' uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.
5